Het islamistje
E.J. BRON - 13 JUNI 2009Tariq Ramadan (foto) geldt als voorbereidend denker van de hervormde islam. Na het lezen van zijn nieuwe boek vraagt men zich af: waarom eigenlijk? Tariq Ramadan lijkt op het eerste gezicht een gelovige liberale linkse te zijn. De in Zwitserland geboren nazaat van de oprichter van de Moslimbroederschap, Hassan al-Banna, ziet er goed uit, is in de hele wereld begeerd als redenaar en spreker en is voor jonge Franse moslims zelfs een soort cultfiguur. En ook al mocht hij in 2004 de Verenigde Staten niet binnenkomen, korte tijd daarna haalde Tony Blair hem in een commissie voor integratiezaken. ”Time Magazine” rekende hem tot de 100 belangrijkste persoonlijkheden ter wereld, de notoire boerenopstandeling José Bové waardeert hem en hij mocht een gastcommentaar schrijven in de Israëlische krant ”Ha’aretz”. Hij pleit voor dierenbescherming, duurzame economie, de woorden ”vrijheid” en ”waardigheid” zijn obligatoir in zijn ontelbare interviews en toespraken. De in deze kwestie vaak scherpziende journalist en publicist van de krant ”Die Zeit”, Jörg Lau, oordeelt: ”Het is Tariq Ramadan gelukt om op te klimmen tot een onofficiële spreker van een Euro-islam die het gebroken zelfbewustzijn van de diaspora achter zich laat en het hier en nu van de westerse moderne als zijn werkterrein accepteert. Dat alleen al is een verdienste, ook al lijkt het helemaal geen uitgemaakte zaak of hij terecht het etiket van de liberale hervormer draagt. Het zou verkeerd zijn hem uit het gesprek over de lange weg van de moslims naar het westen buiten te sluiten. Er zijn niet veel anderen, die zoals deze dubbelagent van de moderne islam aan beide kanten gehoor vinden.” Zijn critici benadrukken dat Ramadan zich weliswaar niet zo radicaal gedraagt als zijn broer Hani Ramadan, echter nog steeds in de traditie van de Moslimbroederschap zou staan en er antisemitisch en islamitisch gedachtegoed op na zou houden. Zijn dissertatie over zijn grootvader leest in ieder geval, volgens de islamwetenschapper Ralph Ghadban, als een kritiekloos bewonderende biografie. Ook moet men zijn nieuwste boek, dat zojuist onder de misleidende titel ”Radicale Hervorming” in het Duits is verschenen, heel nauwkeurig lezen om te herkennen dat Ramadan geenszins moet worden beschouwd als een westerse moslim (http://www.amazon.de/s/ref=nb_ss_w_0_15?__mk_de_DE=%C5M%C5Z%D5%D1&url=search-alias%3Dstripbooks&field-keywords=radikale+reform+ramadan&sprefix=Radikale+Reform). Om het boek te kunnen beoordelen, moet men eerst Ramadans argumentatie natrekken. Al in het begin van zijn betoog verklaart hij zijn begrip van hervorming – hij wil niet de religie zelf, die hij als gemeenschap beschouwt, maar binnen deze gemeenschap hervormen. De religie als zodanig laat hij onaangetast. De koran staat bij hem niet ter discussie als Gods woord, ook de berichten van de metgezellen van Mohammed zijn heilig voor hem. Pas de latere interpretaties van de geleerden zijn van hun kant opnieuw weer te beschouwen als in een context ontstane teksten, die tegenwoordig weerlegd kunnen worden. Aan een hervorming van de religieuze principes denkt deze ”radicale hervormer” net zomin dus helemaal niet, integendeel, hij waarschuwt ervoor dat zo’n proces de islam net zo zou uithollen als de katholieke kerk door haar hervormingen uitgehold zou zijn. Om een dusdanige verwatering van het geloof te vermijden, tegelijkertijd echter de islam ook voor de moslims in het westen aantrekkelijk te maken, stelt de Euro-islamist een serie verbeteringen voor. Niet alles wat aan de traditie zou knagen zou, omdat het zogenaamd uit ”het westen”afkomstig is, af te wijzen zijn, schrijft Ramadan, en probeert vervolgens vele – laten we zeggen – groene leerstellingen de islamitische geloofsgemeenschap in te dragen. Zo zou men de dieren moeten verzorgen, zoals Mohammed al benadrukt zou hebben, de coïtus interruptus, ja zelfs voorbehoedmiddelen zouden binnen bepaalde grenzen toegestaan zijn, en zelfs abortus zou, voor zover deze een hoger doel zou dienen, voor gelovigen mogelijk gemaakt kunnen worden. Voor vrouwen zouden lustgevoelens zijn toegestaan en bovendien zou voor hen omvangrijk onderwijs mogelijk gemaakt worden, ze zouden zelfs juridisch gelijk te stellen zijn, ook dat zou af te leiden zijn uit de koran en uit de woorden van de profeet. Het onderwijsniveau zou tenslotte in het algemeen verhoogd moeten worden, moderne onderwijssystemen zouden moeten worden uitgeprobeerd, net zoals de kunst van moslims meer zou moeten en mogen zijn dan beschouwelijke illustratie van het woord van God. Ketters echter zou de kunst, zou ook de filosofie, niet mogen zijn. Ook zou in economische kwesties ”het westen” niet nagevolgd moeten worden, niet alleen zou het renteverbod nog steeds gelden, ook de globalisering zou een serieus gevaar voor Allah’s schepping zijn. Dienovereenkomstig zou de gelovige duurzaam moeten werken. De filosoof blijft praktische voorstellen schuldig, hij verwijst naar ”de geleerden”, die tot nu toe niet op deze ideeën gekomen zouden zijn. Al deze gemeenplaatsen zouden in ieder geval in overeenstemming zijn met het geloof, verzekert Ramadan. Want ”de betekenis en functie van de koran ligt (in overeenstemming met alle goddelijke, spirituele en filosofische boodschappen) in zijn vaardigheid ons hart en ons verstand te vormen, opdat wij niet de mensen en de maatschappijen volgen die van de weg raken, maar veelmeer proberen de wereld dusdanig te veranderen en vorm te geven zoals het beste voor de mens is – om hem een leven in waardigheid, gerechtigheid, liefde, vergeving, welstand en vrede mogelijk te maken.” Deze welklinkende zin loopt, in verschillende variaties, als een rode draad door het boek en leidt af van al datgene wat Ramadan in dit boek ”voor de moderne maatschappij” schrijft. Niet alleen ziet hij in ”het westen”, dat door een ’geestelijke en smakeloze veramerikanisering’ zou zijn gevormd, geen alternatief voor zijn islamitische geloofsgemeenschap, hij doelt er veelmeer op het westen te islamiseren en dus af te schaffen. Niet voor niets wordt het geloof in dit boek meerdere malen gelijkgesteld met ”verzet”. De man worstelt dus minder met zijn religie, omdat deze verouderd op hem overkomt, maar de tot nu toe maatgevende uitleg van de geschriften hindert hem op zijn onverzettelijke weg. Ramadan trekt fel van leer tegen het ”secularisme” en probeert intussen zijn geloof aan te passen aan de behoeften en kennis van het heden. Hij zoekt geen integratie, het gaat hem om de camouflage van het eigenlijke, wat gewoon de uitbreiding van zijn religie is. Net zoals ieder religieus mens, die het door mensenhand gemaakte van de heilige teksten niet wil zien, moet hij zich daarbij meerdere keren in allerlei bochten wringen, maar al dit gedraai neemt Ramadan voor zijn zaak graag op de koop toe. Zo wil hij de doodstraf niet afschaffen, maar opschorten, de grenzen tussen mannen en vrouwen niet uitwissen, alleen ”de vrouw” wat meer vrijheid toestaan en hij wil ”valse vrijheid”, ”consumptie” en andere individuele behoeften vervangen door nederigheid en bescheidenheid. Daarmee zou Ramadan zich niet eens onderscheiden van gematigde islamitische schriftgeleerden. Maar deze missionaris is niet zo standvastig in het geloof als hij zich voordoet, want zijn geldingsdrang drijft hem naar iedere camera en in iedere functie. Ook schijnt hem, die altijd tegen ”geglobaliseerde ondernemingen” tekeergaat, de omstandigheid niet te storen dat zijn boek verschijnt bij een uitgeverij van het Bertelsmannconcern. Hij is niets anders dan een politicus die zijn God inzet voor een hoger doel. Hij probeert niet de islam te verzoenen met het moderne, maar het moderne met de islam te elimineren. Godzijdank echter is hij naar verhouding machteloos. LINK: http://jungle-world.com/artikel/2009/24/35227.html Bron: www.jungle-world.com Uit het Duits vertaald door: E.J. Bron |
|
