Het Vrije Volk
Words kill!

HANS JANSEN (THEOLOOG) - 14 AUGUSTUS 2011


“Als verrijkt uranium en raketten de hardware zijn, dan is opruiende taal en aansporing tot vijandschap en haat tegen Israël de software, die nodig is om de hardware aan te sturen” (Prof.Elihu Richter en Prof.Israel Charney).

Cartoon In PA Daily: Pregnant Palestinian Woman: 'I'm In My Eighth Month With A Shahid [Martyr]'

Cartoonist: Muhammad Saba'ana

Source: Al-Hayat Al-Jadida, Palestinian Authority, March 22, 2010

 

 

Op 4 april 2009, aan de vooravond van Pesach, deden Prof. Elihu Richter en prof.­ Israel Char­ney van de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem, in een brief aan de Israëlische regering een indringende oproep om de zogenaamde Declaration of Principles van de Oslo-akkoorden, die in 1993 tussen de PLO en de Israëlische re­gering waren gesloten, eindelijk eens serieus te nemen[1]. In deze verklaring had de PLO ermee ingestemd dat het beëindigen van de haatcampagne tegen Israël een éérste vereiste, een conditio sine qua non is, om het vredesproces te doen slagen. Volgens genoemde hoogleraren hadden achtereenvolgende regeringen in Israël veel te weinig haar protest laten horen tegen het onmiskenbare feit dat de Palestijnse Au­toriteit nauwelijks iets ondernam om in de media de stem van haat tegen Israël tot zwijgen te brengen. Richter en Charney laten sindsdien onophoudelijk horen dat dit protest eindelijk eens een integraal aspect dient te worden van de politiek van de Israëlische regering.

 

Israël wordt niet alleen bedreigd door de Palestijnse Autoriteit (PA), maar door de hele islamitische wereld, die dagelijks wordt overspoeld door een endemische, giftige haat. Omdat in veel moslimlanden aanhangers van Mohammed in de media worden opgehitst Joden vijan­dig gezind te zijn, zal de giftige uitwerking hiervan van de ene op de andere generatie wor­den overgedragen, De gevaren die een dergelijke campagne van vijandschap en haat op­roepen, scheppen een cultuur van de dood, waarvan vooral Arabische jongeren het slacht­offer zijn geworden. De tol die betaald moest worden, is schrikbarend hoog: sinds het einde van de 2de Wereldoorlog zijn twaalf miljoen moslims het slachtoffer geworden van oor­logen en andere vormen van geweld.

 

Het Iraanse regime is het epicentrum van een internationale as van genocidale ter­reur. Iran en zijn bondgenoten (Hezbollah, Hamas, Syrië) bezigen in de media geno­cidale haat-taal om de Twee-Staten Oplossing te veranderen in de Twee-Fazen Op­lossing, dat wil zeggen dat het uiteindelijk gaat om de vernietiging van Israël. Behal­ve Hezbollah, Hamas, en Syrië, werken ook Noord-Korea, Venezuela en Noord-Soe­dan samen met Iran. En de Palestijnse Be­vrij­dingsbeweging (PLO), die Khomeini in Iran aan de macht hielp, voelt zich gesteund door de internationale as van genocida­le terreur.

 

In de afgelopen jaren hebben Israëlische regeringen telkens weer opnieuw territoriale concessies gedaan (Land for Peace), maar ze hebben niet tot minder maar wel tot meer terreur en dood geleid (Territory for Terror). We weten wat de dramatische ge­volgen zijn geweest van de terugtrekking van het Israëlische leger uit Libanon en Ga­za. Het is aan geen twijfel onderhevig dat de escalatie van Palestijns geweld mede wordt veroorzaakt door de virulente campagne van haat tegen Israël, die door de Pa­lestijnse Autoriteit wordt gesanctioneerd!

 

We kunnen volgens de beide Israëlische wetenschappers geen enkele duurzame politieke overeenkomst tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit verwachten, als zij wordt ondermijnd door een wijdverspreide haat-campagne in onderwijs, in lespro­gram­ma’s op school, in preken van imams in moskeeën, in toespraken van politici, in televisie- en radioprogramma’s, in trainingen op zomerkampen, en last but not least in de elektronische media. Om de verhouding tussen de prediking van de catechese van haat door de Palestijnen en de gevolgen hiervan in hedendaagse taal te formu­le­ren, schreven beide wetenschappers: “Als ver­rijkt ura­nium en raketten de hardwa­re zijn, dan is opruiende taal en aansporing tot vijandschap en haat tegen Israël de software. Je hebt de software nodig om de hardware aan te sturen”. De zelfmoordcommando’s van de Palestij­nen zijn onverbrekelijk ver­bonden met wat zij elke dag in alle vormen van het lager en hoger onderwijs over de Joden te horen krijgen. Sinds de Oslo-akkoorden in 1993 zijn gesloten, hebben noch Israël noch onderhandelaars van buiten geëist, dat er een einde moest worden ge­maakt aan de wijdverspreide haatcam­pagne van de PA en de PLO, die hét grote struikelblok vormt voor verzoe­ning en wederzijds respect voor leven, voor leven en laten leven. Beide, de Palestijnse Autoriteit en de PLO hebben na de Oslo-akkoor­den al meer dan vijftien jaar elke vorm van terreur tegen het Joodse volk geënta­meerd en gesanctioneerd.

 

Daarom, aldus de beide wetenschappers, moeten Israël en al diegenen in de wereld, die betrokken zijn bij de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict, nu onmid­dellijk iets doen, wat zij nooit eerder hebben gedaan en wat zij wel, gezien de Decla­rati­on of Principles van de Oslo-akkoorden, hadden moeten doen. Zij moeten aller­eerst de wijdverspreide taal van haat en aansporing tot genocide en genocidale ter­reur definiëren, opsporen, controleren en registreren. Zij moeten het materiaal speci­fi­ceren en van de Palestijnse Autoriteit tastbare resultaten eisen met betrekking tot het beëindigen van de haatcampagne tegen de Joodse staat. Omdat de PA die campagne blijft sponsoren, hebben we te maken met een zeer ernsti­ge vorm van “staats”-antisemitisme! Omdat in de politiek van Israel en zijn bondgenoten (de Ver­enigde Staten en de Europese Unie) het protest tegen dit antisemitisme van de PA niet structureel was opgenomen, liepen álle onderhandelingen in de afgelopen vijftien jaar stuk en was er geen enkel uitzicht op verzoening tussen beide volkeren. Beide wetenschap­pers schrijven onom­wonden aan de Israëlische regering: “Als wij nu en in de komende jaren dezelfde fou­ten maken, zal de overleving van Israël als Joodse staat in de waagschaal wor­den ge­worpen”. 

 

Israël en al diegenen die bezorgd zijn voor zijn toekomst, moeten de geschiedenis van de Joodse staat opnieuw vertellen. Het is noodzakelijk dat de Israëlische rege­ring een nieuw standpunt inneemt als het gaat om de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Elihu Richter en Israël Charny denken aan de volgende princi­pes:

 

Meer dan ooit te voren draagt de wereld nu de verantwoordelijkheid de Joodse staat te verde­digen tegen de wijdverspreide gevaren van genocide en genocidale terreur. Het Joodse volk, dat is teruggekeerd naar zijn voorvaderlijk thuis, heeft altijd de verantwoordelijkheid geaccepteerd om zichzelf te verdedigen. Als gevolg van een re­so­lutie van de Verenigde Naties in 1947 was Israël de eerste natie die kon worden gesticht, maar nu is Israël ook de eerste die wordt bedreigd met nucleaire genocide. Voor de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict is het een conditio sine qua non, een éérste vereiste, dat het nucleaire gevaar van Iran wordt afgewend, dat er een einde komt aan de virulente haatcampagne tegen Israël, dat leden van Hamas en Hezbollah niet langer worden getraind door Teheran, én dat terreurgroepen als Hezbollah en Hamas geen wapens meer ontvangen uit het land van Komeini. In de strategie moet centraal staan, dat Irans wijdverspreide en door de staat ge­sanc­tio­neerde taal van haat en aansporing tot het plegen van genocide op Israël, klip en klaar worden verboden. Het gaat erom dat de gevaren van nucleaire genocide en genocidale terreur worden afgewend. Preventie van genocide vereist dat de Verenig­de Naties, de Vere­nigde Staten, de Europese Unie en Rusland (Het Kwartet) onmid­dellijk gebruik maken van de bestaande internationale wetgeving om Iraanse leiders en hun bondgenoten voor het ge­recht te dagen, die persoonlijk verantwoordelijk zijn voor het voeren van de afschuwelijke haatcampagne tegen Israël (“Israël is een kan­ker”, “Israël is een microbe”, “Israël is een sme­rig lijk” enz. enz.). Bescherming en respect voor individueel leven en menselijke waar­digheid vereisen verder, dat de Pales­tijnse Autoriteit ter­reur en het aanzetten tot terreur om Israël te vernietigen, over­een­komstig de Oslo-akkoorden radicaal afzweert. Zolang de bran­dende lucifer van vijandschap en haat niet wordt gedoofd, kan Israël het slachtoffer worden van een nucleaire brand! Het staken van de incitement to genocide is een éérste vereiste om de vredesbespre­kin­gen tussen de Israëlische regering en de Palestijnse Autoriteit weer vlot te trek­ken[2].

 

Omdat genoemde wetenschappers niet alleen op de Israëlische, maar niet minder op de Ame­rikaanse regering een indringend appèl wilden doen om de Palestijnse Autoriteit te dwingen een halt toe te roepen aan de haatcampagne tegen Israël, bena­derde professor Elihu Richter senator George Mitchell, de speciale afgezant van de Amerikaanse president voor het Midden-Oosten. Hij schreef hem op 16 april 2009 een klein essay, getiteld Want Peace? Stop the endemic hate language and incite­ment against Israel, waaraan ik het volgende ontleen: “Zoals veel Israëliërs die in­stem­den met de Oslo-akkoorden van 1993, werd ik in de afgelopen jaren bijna ge­wurgd door wanhoop: wij hebben namelijk ontdekt dat het adagium Land voor Vrede is veranderd in Territorium voor Terreur! Zoals velen die lang en intensief hebben nagedacht over de problemen in ons land, ben ik serieus tot de conclusie gekomen, dat wij niet meer moeten spreken over het vredesproces tussen Israël en de Pa­lestij­nen. “Het vredesproces”, dat is trouwens een heel vage uitdrukking, in feite gaat het na­tuurlijk om: respect voor het leven, leven en laten leven en vooral waardigheid voor allen! Het is tragisch dat het vredesproces heeft geresulteerd in duizenden Israëli­sche en Palestijnse doden!”

 

“Ik heb groot respect voor de wijze waarop u bemiddelt in het conflict tussen Israël en de Palestijnen, waarbij u uitgaat van de filosofie van het conflict-model. Ik heb de in­druk gekregen dat u van oordeel bent dat alle meningsverschillen tussen beide vol­ke­ren op deze wijze kunnen worden opgelost. Toch durf ik u eerlijk te zeggen, dat deze aanpak van het probleem niet relevant is voor dit land in het Midden-Oosten. Het Israëlisch-Palestijnse conflict wordt nu overschaduwd door asymmetrische existen­tiële gevaren, omdat Israël dodelijk wordt be­dreigd door kernwapens die Iran wil fa­bri­ceren, door een ongehoord felle haatcampagne die Iraanse politieke en geestelijke leiders tegen Israël voeren én door de financiële steun die de Iraanse regering ver­leent aan de genocidale terreur van Hamas en Hezbollah. De Iraanse regering roept terreurgroepen onophoudelijk op Israël van de kaart te vegen. Zoals wij weten van de genocide op zes miljoen Joden in Europa en niet minder van de genocide in Ruwan­da in Afrika, is de taal van de haat en de oproep om de vijand te vernietigen, de voorspeller, de initiator, de katalysator en de promotor van de uiteindelijke genocide zelf. Als ra­ketten en bommen de hardware van de genocide zijn, dan zijn de woorden (de haat­cam­pagne te­gen Israël) de software, die nodig is om de hardware aan te sturen! Woorden do­den! Arthur Koestler zei in 1978: ‘Oorlogen breken niet uit voor territorium, maar voor woorden! Het do­delijkst wapen van de mens is de taal. Zoals de mens vatbaar is voor infectieziekten, is hij gevoelig om door slagers te worden gehypnoti­seerd! En waar een epidemie heerst, wordt de groep het slachtoffer’”

 

“Welke krachtige en stoutmoedige stappen zal de regering in Israël zetten om politie­ke en juridische acties te ondernemen tegen de door de ‘staat‘ gesanctioneer­de taal van haat en vijandschap tegen Israël, die onophoudelijk wordt gehoord in moskeeën, in het lager en hoger onderwijs, in de massamedia, aan universiteiten en in het Par­le­ment. De wijd verspreide ophitsing om Israël te haten en te vernietigen is hét grote struikelblok voor vrede en verzoe­ning in het Midden-Oosten. De waarden van leven en laten leven moeten in de plaats komen van de cultuur van de dood, de demoni­se­ring en ontmenselijking van Israël, die nu in het he­le Midden-Oosten het dagelijks le­ven van de moslimwereld bepalen. Deze cultuur van de dood heeft sinds het einde van de 2de Wereldoorlog al het leven gekost aan twaalf miljoen mos­lims’’.

 

Deze indringende oproep op 4 en 16 april 2009 van twee professoren van de He­breeuw­se universiteit aan de Israëlische en Amerikaanse regering, heeft verstrekken­de gevolgen gehad. George Mitchell, die het hartgrondig eens was met de analyse van de beide hoogleraren, herinnerde zich dat Dennis Ross, een van zijn eminente voorgangers in het Midden-Oosten, in zijn boek The Missing Peace (1998) tot de­zelfde conclusie was gekomen als Elihu Richter en Israel Charny: Ross probeert in het 800 pagina’s tellende boek te analyseren waarom de Oslo-ak­koorden waren mislukt. Hij levert felle kritiek op de Amerikaanse regerin­gen, die het thema van de Palestijnse haatcampagne voortdurend veronachtzaamden en negeerden:”The Pa­lestinians’ syste­matic incite­ment in their media, a educational system that bred ha­tred, and the glorification of violence made Israelis feel that their real purpose was not peace”. Ook Richard Holbrooke was in zijn boek To End a War(1998) tot de con­clusie gekomen dat de haatcampagne van de Servische leiders op de televisie a root cause was van de genocide op 8500 moslims. En hadden volgens historici de geno­cide op zes miljoen Joden in Europa én de genocide in Rwanda niet eenzelfde stramien laten zien? Ook de vi­rulente haatcampagne van de Palestij­nen te­gen Isra­ël is niet een begeleidend verschijnsel maar a root cause van het Israëlisch-Palestijnse con­flict, die niet nóg langer mag worden genegeerd door politieke en geestelijke lei­ders in de wereld.

 

Daarom nam Mitchell onmiddellijk contact op met Hillary Clinton, de minis­ter van Buitenlandse Zaken van de Ameri­kaanse regering van Obama. Toen Hillary Clinton nog Senator was, had zij er verscheidene keren op gewezen, dat er geen duurzame vre­de in het Mid­den-Oos­ten mogelijk is, zonder dat de Palestijnse catechese van de ver­guizing van Israël ver­dwijnt. Hi­llary Clinton zei op 8 februari 2007over de nieuw­ste Palestijnse schoolboe­ken: “Vandaag herhaal ik nog eens, dat wij een on­ver­biddelijk halt moeten toeroe­pen aan de haatcam­pag­ne, waaraan Palestijnse kin­deren worden blootge­steld. Voor alle mensen die zorg dragen voor de toekomst van hun kinderen en die werken aan de vrede, de stabiliteit en de veilig­heid van de staat Is­raël moet dit de hoogste prioriteit hebben. Hetzelfde geldt voor allen die zich inzet­ten voor de toe­komst van het Palestijnse volk. Ik heb in 2001, toen de eerste schoolboeken door de Palestijnse Auto­riteit werden ge­publiceerd, al geprotesteerd tegen het aanzetten tot haat en geweld in de schoolboe­ken. Ik heb me toen in New York aangesloten bij Nobelprijswinnaar Elie Wiesel, overlevende van Auschwitz, om de les­sen van haat en geweld die in de Palestijnse scholen worden gegeven, krachtig te veroor­delen. Het is voor mij zeer schokkend dat in de nieuwste Palestijnse school­boe­ken, die on­der verantwoordelijk­heid van Mammoud Abbas werden samen­ge­steld, het bestaan van de staat Israël klip en klaar wordt ontkend en zelfs wordt beweerd, dat er in de Tweede Wereld­oor­log geen Holo­caust heeft plaatsgevonden”.

 

Toen George Mitchell Hillary Clinton uitvoerig had geïnformeerd over het essay dat Elihu Rich­ter hem had gestuurd, zag zij kans om van de cateche­se van de verguizing van Isra­ël, die de PA bleef verkondigen, de speer­punt te maken van het nieuwe Midden-Oos­tenbeleid van de VS. Ook Obama was bereid de virulen­te haatcampagne tegen Isra­ël niet langer te negeren. Een week nadat Eli­hu Richter zijn essay aan George Mitchell had gestuurd, zei Hillary Clin­ton op 23 april 2009 tot leden van het Ameri­kaanse con­gres het volgende:”Wij willen alléén  samen­werken met de regering van de Palestijn­se Autoriteit in Ramallah, als zij ondubbel­zinnig en met even zoveel woorden de principes van het Kwartet (De vere­nigde Na­ties, de Ver­enigde Staten, de Europese Unie en Rusland) accepteert: het afzweren van het ge­weld, de erken­ning van Israël, én de acceptatie van vroe­gere overeen­kom­sten en verplichtingen (inclu­sief die van de Road Map), waarin ondub­belzinnig staat, dat in fase 1 van het proces ‘alle officiële Palestijnse instellin­gen (or­ganen) een einde moe­ten maken aan de haat­campag­ne tegen Israël’”.

 

In de zomer en herfst van 2009 kwam de brief van Elihu Richter en Israël Charny (4   2009) én het antwoord hierop van Hillary Clinton (23 april 2009) in talrijke kabinets­ver­gaderingen in Jeruzalem uitvoerig aan de orde. Op 19 januari 2010 zei Netanyahu tijdens de vergadering: “Het zijn niet alleen raketten die de veiligheid van Israël in ge­vaar brengen. Ook woorden kunnen levensgevaarlijk zijn”. Een van de aanwezige mi­nisters in het kabinet merkte toen op dat Sharon 18 november 2004 (hij had het aan­ge­tekend in zijn boekje!) had gewaarschuwd: “De Palestijnse opvoeding en propaganda vormen een grotere be­drei­ging voor Israël dan Palestijnse wapens!” Het is dui­delijk dat de Israëlische regering voor de volle honderd procent instemde met de houding van de Amerikaanse regering en die van het Kwartet: Vredes­be­sprekingen kunnen nu nog niet vlot worden getrokken. Daarom besloot de Israëlische re­gering in het voorjaar van 2010 om in mei te starten met voorbereidende besprekingen tus­sen Israël en de Palestijnse Autoriteit. George Mitchell, de speciale afgezant van Oba­ma in het Midden-Oosten, had 9 mei 2010 aan Netanyahu laten weten, dat Mah­moud Abbas be­reid was om tijdens de voorbereidende bespre­kin­gen alles in het werk te stellen om een ein­de te maken aan de haatcampagne te­gen Israël, én dat hij ook akkoord ging met de afspraak om telkens na twee maanden de balans op te ma­ken.

 

Op 21 juli 2010 bracht de Palestinian Media Watch een rapport uit, getiteld PA still inciting Hatred (in eerste instantie bestemd voor de Israëlische regering), waaruit blijkt dat van alle mooie beloften die Mahmoud Abbas op 9 mei 2009 had gemaakt tegeno­ver George Mitchell om een eind te maken aan de haatcampagne tegen Israël, hele­maal niets terecht was gekomen. Volgens Itamar Marcus en Barbara Crook, de sa­men­stellers van het rapport, blijft de PA maar zeg­gen en schrijven dat het bestaan van Israël niet wettig is, dat Israël helemaal geen recht heeft om te bestaan, dat er geen sprake is van een territoriaal conflict, maar dat de Palestijnen een religieuze oorlog voeren voor Allah om Israël te vernietigen, dat de PA op alle mogelijke ma­nie­ren haat promoot door demonisatie, laster en smadelij­ke aantijgin­gen, én dat zij ter­reur en geweld verheerlijkt. Het rapport, dat ook aan de Ameri­kaanse regering en het Congres werd aangeboden, bewijst ook, dat Palestijnse televisieprogramma’s blijven zeggen, dat Israëlische steden zoals Jaffa en Haifa, Palestijnse steden zijn en dat het territorium waarop de staat Israël is gesticht, het thuisland van de Palestijnen is, dat in 1948 werd bezet. Politieke en geestelijke leiders interpreteren het conflict tus­sen beide volkeren als een ribat, dat wil zeggen als een godsdienstoorlog. Daar­om heeft de Palestijnse president Mahmoud Abbas in de afgelopen maanden het recht van de Palestijnen verdedigd “om naar de gewapen­de strijd terug te keren” en be­schrijft hij de voorbereidende besprekingen als een “tac­tische manoeuvre (..……) als een voorlopige maar niet als een definitieve beslis­sing!”  Het rapport gaat vergezeld van een video-opname, die duidelijk laat zien dat de PA blijft onderwijzen dat we le­ven in een wereld, waarin Israël gewoon niet bestaat. In het hele onderwijsmateriaal van de PA is nog altijd geen kaart te vinden, waarop Israël als natie is aangegeven. De auteurs van het rapport citeren in dit ver­band een uitspraak van de Ameri­kaanse president Obama: “Het gebruikmaken van kaarten in het Palestijns onderwijs zonder dat Israël erop voorkomt is een ernstige bedreiging voor de veiligheid van Israël”. Miljoenen Palestijnse kinderen en jonge­ren leren op school dat zij leven in een wereld zonder Israël.  Alle kaarten die hangen aan de muur van Palestijnse kantoren en bureaus, álle officiële websites van de PA, álle schoolboeken en álle televisieprogram­ma’s laten ook na 9 mei 2010 Palestina zien zonder Israël.  

 

In het genoemde rapport PA still inciting Hatred bewijzen de auteurs bovendien, dat de PA Israël blijft beschuldigen van het verspreiden van drugs en aids onder de Pa­les­tijnen. “De ergste aantijging waarvan Israël wordt beschuldigd, is, dat het moorden en het aanrichten van massaslachtingen het gedrag van Israëliërs kenmerken, ja dat het hun is aangeboren om zo te handelen. De ware natuur van Israël is verschrikke­lijk onmenselijk, lelijk en wreed”. In juni 2010 liet de Palestijnse televisie voor de zo­veelste keer (van oktober 2007 tot december 2009 elke dag!) een muziekvideo zien, waarin een gigantische slang het hele land Pa­lestina in zijn wurggreep heeft om alle inwoners te vergiftigen. Op het 3de Palestijnse Festival voor Cultuur en Educatie, dat in juni 2010 te Ramallah werd gehouden, waren actrices te zien, die gewapend wilde dansen uitvoerden en een lied zongen, waarin geweld tegen Israël werd ver­heer­lijkt en de martelaren-dood als een verheven ideaal werd geprezen. De dansen werden uitgevoerd in aanwezigheid van de ministers voor Cultuur en Vrouwenemancipatie. Het jaarlijks terugkerende Festival wordt gesponsord door de Nationale Commissie voor op­voeding, wetenschap en cultuur van de PLO.

 

De auteurs van het rapport PA is still inciting Hatred van 21 juli 2010 concluderen: “Als wij uitspraken van politieke en geestelijke leiders van de Palestijnse Autoriteit analyseren, als wij nagaan hoe de Palestijnse jeugd wordt onderwezen, als wij in kaart brengen hoe sinds het begin van de voorbereidende besprekingen in mei 2010, in de media de haat en vijandschap tegen Israël wordt gevoed, dan is heel evident, dat de Palestijnse Autoriteit niet de voorwaarden heeft vervuld die de Amerikaanse minister Clinton van Buitenlandse Zaken op 23 april 2009 heeft gesteld om het vre­desproces weer vlot te trekken, integendeel, de PA heeft niets ondernomen om de virulente vijandschap en haat tegen Israël uit te bannen. In de eerste twee maanden sinds het begin van de voorbereidende besprekingen heeft de PA gefaald om deze voorwaarden ondub­belzinnig te vervullen. De Palestijnse Autoriteit heeft het tegen­overgestelde gedaan! De PA gaat maar door met het ondubbelzinnig en expliciet ontkennen van het bestaan van Israël, het promoten van vijandschap en haat tegen Israël én het verheerlijken van terreur en geweld”

 

Wat was het antwoord van president Mahmoud Abbas op het rapport PA still inciting Hatred against Israel van 21 juli 2010? Itamar Marcus (auteur) had het rapport ook ge­stuurd naar Hillary Clinton, de minister van Buitenlandse Zaken van de Amerikaan­se regering, die het uitvoerig besprak met Obama. Toen Mahmoud Abbas, de presi­dent van de Palestijnse Autoriteit eind juli 2010 in het Witte Huis door de Ameri­kaan­se president werd ontvangen, kwam het zojuist genoemde rapport natuurlijk uitvoerig ter sprake. Obama sprak zijn diepe teleurstelling uit en herhaalde wat zijn minister van Buitenlandse Zaken al op 23 april 2009 had gezegd: “Alle officiële orga­nen moeten een einde maken aan de haatcampagne tegen Israël, voordat de vredesbesprekingen tussen beide volkeren weer kunnen worden hervat!”. Wat was hier­op het antwoord van de Palestijnse president? Hij zei: “I say in front of you, Mr.­Presi­dent, that we have nothing to do with incitement against Israel, and we are not doing that” (“Ik zeg, nu ik tegenover u zit, meneer de president, dat wij niets te maken heb­ben met een haatcampagne tegen Israël, wij doen dat helemaal niet”). De Amerikaanse president was sprakeloos en kon niet geloven wat Abbas hem antwoordde. In het najaar van 2010 heeft de Palestijnse president telkens opnieuw ontkend, dat de PA een virulente haatcampagne tegen Israël voert. In sep­tember 2010 bracht de Pa­les­ti­nian Media Watch een tweede rapport uit, getiteld PA Incitement against Israel on the Rise, waarin de ontwikkelingen over de maan­den juli en augustus 2010 wer­den geanalyseerd. Dit rapport werd op 4 november 2010 uitvoerig besproken op het mi­nis­terie van Buitenlandse zaken en Defensie te Jeru­za­lem. Opnieuw was duidelijk geworden dat de Palestijnse president zich niet aan de belofte had gehouden, die hij op 9 mei 2010 tegenover George Mitchell, de speciale afgezant van de Amerikaanse president in het Midden-Oosten, had gedaan. Integen­deel, de haatcampagne tegen Israël nam steeds ernstiger vormen aan. 

 

Naar aanleiding van de afschuwelijke moord op het gezin Fogel in Itamar, waarbij op 11 maart 2011 Rabbi Udi Fogel (36), diens vrouw Ruth (35), en de kinderen Yoav (11), Elad (4) en Ha­das (3 maanden) op een gruwelijke wijze om het leven kwamen, werden in heel Israël in de media maandenlang een verband gelegd tussen de viru­lente haatcampagne van de PA tegen Israël en deze ten hemel schreiende moorden in Itamar. Dit gebeurde ook tijdens de bijzondere kabinetsvergadering op 13 maart 2011. Tijdens deze zitting van het kabinet hield brigadier generaal Yossi Kuperwas­ser van het ministry of Stra­te­gic Affairs een presen­tatie van de Palestijnse haatcam­pagne tegen Israël, waar­aan ik het volgende ontleen: “Nu heel Israël vandaag treurt om de afschuwelijke moord op de familie Fogel in Itamar, zijn le­den van de Fatah-partij van Mahmoud Abbas in Ramallah bijeen, omdat een belangrijk plein van de stad de naam krijgt van Dalal al-Mugrabi, de terrorist die in 1978 een bus opblies, waarbij zevenendertig Is­raëliërs werden gedood en eenenzeventig gewond. Dat dit vandaag gebeurt, is een teken aan de wand! Sinds het voorjaar van 2010 heb ik, me­de naar aanleiding van de oproep van twee hoogleraren van de Hebreeuwse uni­ver­siteit, bijna een jaar lang met leden van het Kabinet en de Knesset, en met gees­te­lijke en politieke leiders in binnen- en buitenland gesprekken gevoerd over de Pa­les­tijnse haatcampagne tegen Israël. Er is werkelijk niemand te vinden die niet van oor­deel is dat aan deze cam­pagne een onverbiddelijk halt moet worden toegeroe­pen. In de media van de PA kunnen we dagelijks lezen en horen, dat de Joden geen recht hebben om hier in het Midden-Oosten te zijn, ja dat ze geen recht heb­ben om über­haupt ergens in de we­reld te zijn. Dat geldt heel bijzonder voor de schoolboe­ken, waarin Israëls bestaan niet wordt vermeld. Er zijn geen kaarten waarop Israël is ge­te­kend. In cartoons die dagelijks in Arabische en Palestijnse kranten verschijnen, worden Jo­den getypeerd als figuren, die géén mensen zijn. In de officiële krant van de PA, de al-Hayat al-Ja­dida, werd onlangs een cartoon gepubliceerd van Muham­mad Saba’ana: je ziet een hoog zwangere Palestijnse vrouw die zegt: ‘Ik ben in mijn  achtste maand met een shahid (een martelaar) in mijn buik!”(zie cartoon hierboven). En op de Palestijnse TV spelen kinde­ren een “Suicide Bomber Game’: het gaat er om wie in staat is om als eerste als martelaar voor de bevrijding van Pa­lestina te sterven! En als Mahmoud Abbas de band ‘Alas­hekeen’, die zingt over de heilige oorlog en de aanstaande ver­nietiging van Israël, via een presiden­tieel decreet promoot tot de nationale band van de PA, wie gelooft dan nog dat de Palestijn­se Autoriteit serieus ver­langt naar vrede met Israël?” Toen een minister van het kabinet tijdens de Powerpoint-pre­sentatie Ku­perwasser vroeg, of de PA verantwoordelijk is voor de afschuwelijke moord op de familie Fogel in Itamar, antwoordde hij: “Ik geloof niet dat de PA de terroristen stuurt, maar zij creëert door de haatcampagne zo’n klimaat in het land, dat de Palestijnen gaan ge­loven dat Joden helemaal geen recht hebben om hier te zijn en dat zij wrede schepselen zijn, die allesbehalve menselijk zijn. En dan is het niet vreemd, dat élke vorm van ter­reur wordt gerechtvaardigd. Daarom moet deze brainwashing van het Pa­lestijn­se pu­bliek zo spoedig mogelijk worden gestopt”.

 

 

 

 

 

 

 

De Satanische vrede van Israël

(Een karikatuur in de Palestijnse krant Al-Ittihad waarin  Israël wordt afgeschilderd als de Doodsengel met een olijftak in zijn mond.

Ook opgenomen in programma van televisie-uitzending van Palestijnse Autoriteit)

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

Op 14 maart 2011 werd op de Israëlische Radio Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit, geïnterviewd. Toen de interviewer de president had verteld dat het hele kabinet er diep van overtuigd is, dat de alarmerende haatcampagne van de PA de grond had voorbereid voor de ten hemel schreiende terreur in Itamar, die leidde tot het vermoor­den en verminken van de ouders en drie kinderen van de fami­lie Fogel, ant­woord­de Mahmoud Abbas zonder blikken of blozen:”There is no Palesti­nian Incite­ment against Israel in schools and Mosques” (“Er is helemaal geen sprake van een aansporing tot haat tegen Israël in scho­­­len en moskeeën”). Hij voegde er aan toe, dat het ministerie voor godsdienstige zaken enige tijd geleden had besloten, dat de imams van álle Palestijnse moskeeën elke week dezelfde preek zouden ontvan­gen van het ministerie. In een telefoongesprek tussen Netanyahu en Abbas (zater­dag 12 maart 2011) had Abbas gezegd, dat de Palestijnse veiligheidsdienst zelfs vuurwerk had verboden, waarop Netanyahu had geantwoord: “Wij zijn helemaal niet geïnteresseerd in jullie fireworks, maar wel in jullie firewords, die elke dag ons land in brand ste­ken!”

 

Op 18 maart 2011 maakte Netanyahu in de Knesset bekend dat het kabinet op 13 maart 20011 een opmerkelijk besluit had genomen, namelijk het publiceren van een Palestinian Incitement Index. De In­dex zal vier keer per jaar verschijnen en alle uitingen van vijandschap en haat tegen Israël registreren en analyseren. De Index zal worden samengesteld door de volgende instanties: Military Intelligence, The Israel Defense Forces Spokesmans Office, de Foreign Ministry, The Shin Bet Security Services, en The Coordinator of Government Activities in the Territories. Brigadier generaal Yossi Kuperwasser zal het werk coördineren! De Index zal via de ambas­sa­des over de hele wereld worden verspreid om een internationale campagne te voeren: de PA onder leiding van Mahmoud Abbas zal worden gedwongen ein­delijk de haatcampagne tegen Israël te staken. De onophoudelijke haatcampagne van de PA tegen Israël mag ook niet nog langer worden genegeerd door: Het Vaticaan, De Wereldraad van kerken, de PKN, de Lutherse Synode, de Nederlandse Bisschoppenconferentie, de lan­delijke Raad van Ker­ken en de Raad van Patriarchen en Bisschoppen in het Midden-Oosten. 

 

Op 29 maart 2011 schreven Mark Kirk en Kirsten Gillibrand, senatoren van de Amerikaanse Se­naat, mede namens 25 andere senatoren, de volgende brief aan Hillary Clinton, minister van Buitenlandse Zaken: “Naar aanleiding van de brute moord op een Joodse familie in Itamar (Israël) en de aanslag van een zelfmoordcommando op een bus met inwoners van de stad Jeruzalem, schrijven wij u over de onophoudelijke ophitsing tot vijandschap en haat tegen Joden en Israël in de Palestijnse media, moskeeën en scholen en in geschriften die officiële organen van de Palestijnse Autoriteit publiceren. Wij zouden graag willen weten welke bij­zondere stappen u gaat zetten om een eind te maken aan deze gevaarlijke aanzetting tot haat, die ook de verheerlijking van terroristen en de jihad impliceert én antisemitische stere­otypen in de Palestijnse media. Hiervan zijn talrijke voorbeelden te geven, die ook het kabi­net van de prime-minister heeft gepubliceerd. Wij beperken ons tot de eerste maanden van dit jaar: Op 9 maart 2011 hield Sabri Saidam, adviseur van president Mahmoud Abbas, een toespraak, waarin hij onderstreepte dat Palestijnen weer hun wapens op Israël moesten richten. Hij vroeg het Palestijnse volk ook om er goed op te letten hoe de financiële positie van de families van de martelaren is. Sabri Saidam zei ten slotte dat de herdenking van Dalal Mughrabi (die in 1978 bij een zelfmoordaanslag aan de kust een bloedbad had aangericht) dit jaar zou plaatsvinden in de stad El Bireh, waar een plein haar naam zou krijgen. Op 9 fe­bruari 2011 zond de officiële Palestijnse televisie een programma uit, getiteld “Vrouwen als voorbeeld”, waarin onder meer Dalal Mughrabi als martelaar werd verheerlijkt en als voor­beeld gesteld voor Palestijnse vrouwen. In de zomer van 2010 droegen ook verscheidene zomerkampen voor kinderen de naam Dalal Mughrabi. Op 24 januari 2011 overhandigde de Gouverneur van Jenin namens president Mahmoud Abbas, aan de familie van de Palestijnse terrorist Khaldoun Samoudi, die bij een zelfmoordaanslag om het leven was gekomen, een cheque van 2000 dollar ter ondersteuning. Op 2 januari 2011 konden we in de officiële krant van de Palestijnse Autoriteit Al Hayat Al-Jadida lezen, dat Azzam Al-Ahmed, lid van de Fa­tah Central Committee tijdens het 46ste anniversarium van de oprichting van de politieke partij Fatah had gezegd in zijn toespraak: “De politieke partij Fatah is een beweging van de massa onder de Palestijnen, die geloven in de revolutie van het volk, dat het recht heeft om alle mid­­­delen te gebruiken om weerstand te bieden teneinde het doel te bereiken (de vernietiging van de staat Israël!)”. De Palestijnse Autoriteit moet actie ondernemen om een onvoorwaar­delijk halt toe te roe­pen aan de haatcampagne, die leidt tot dergelijke misdaden. Wij vragen u dringend van de Pa­les­tijnse Autoriteit opnieuw te eisen dat zij stopt met deze afschuwelij­ke campagne tegen Israël”. Ondertekening door 27 leden van de Senaat in Washington.

 

Jacobus, de broer van Jezus van Nazareth en de eerste bisschop van Jeruzalem, schreef een paar duizend jaar geleden in overeenstemming met de eeuwenoude Joodse wijsheid, dat het dodelijkste wapen van de mens de taal is, die een we­reld in brand steekt. En de eminente Joodse geleerde Abraham Heschel schreef in de 20ste eeuw, dat “het niet gaskamers zijn die in Ausch­witz mil­joe­nen Jo­den heb­ben vermoord, maar woorden van vijand­schap en haat”, die de eeuwen door op hen werden afgevuurd.  

 

 

 

Nijkerk, 7 april 2011



[1] Westerse media hebben aan deze indringende oproep van twee Israëlische wetenschappers geen enkele aandacht geschonken. Prof.Dr.Hans Jansen sprak hierover tijdens het congres over het oplaaiend antisemitisme (georganiseerd door Christians for Israel International), dat op 7 april 2011 in Nijkerk werd gehouden. Dit is de tekst van het referaat dat hij heeft gehouden. Aan dit bijzonder vruchtbare congres namen maar liefst tweehonderdvijftig men­sen deel uit Nederland, België en Israël. Op verzoek van de deelnemers wordt de tekst van dit referaat gepubliceerd in het nummer van het Simon Wiesenthal Bulletin, September 2011.

[2] Van deze brief, die de beide wetenschappers Richter en Charney op 4 april 2009 aan Benjamin Netanyahu stuurden, ont­ving Simon Pères, de president van Israël, een afschrift.